Veenhuizen heeft een buitengewoon bijzondere ontstaansgeschiedenis als kolonie van Weldadigheid. In een periode van bittere armoede in de grote steden, wordt in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid opgericht onder leiding van Johannes van den Bosch. Het ambitieuze plan is om kleine gemeenschappen of koloniën te bouwen in het dan nog lege Drenthe. Hier konden geselecteerde arme gezinnen uit het westen vrijwillig een nieuw bestaan opbouwen (Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord). In 1822 wordt 3000 hectare grond gekocht van boeren in Veenhuizen om een dwangkolonie voor de opvang en tewerkstelling van 4500 wezen en arme sloebers te beginnen. Veenhuizen wordt een strak aangelegd dorp, ontgonnen vanaf de hoofdvaart en de zes haaks hierop gegraven wijken. Als eerste worden er drie zogenaamde werkgestichten gebouwd waar het personeel en de verpleegden, zoals de armen en wezen werden genoemd, wonen en werken. Omdat de kolonie in financiële problemen komt, gaat het beheer in 1859 naar de rijksoverheid en de bijbehorende gronden en gebouwen worden eigendom van de Staat. In 1869 stopt de opvang van wezen en wordt het regime van orde en tucht verscherpt. Er worden landlopers en bedelaars opgevangen. In 1875 gaat het beheer van Veenhuizen naar Justitie en besluit men Veenhuizen om te vormen tot een Justitiedorp. Er komen gevangenissen, werkgebouwen, personeelswoningen en gebouwen van algemeen nut, zoals een hospitaal, een electriciteitscentrale, scholen, een brandweerkazerne en een slagerij. Was de kolonie al grotendeels zelfvoorzienend, dit gold nog meer voor het Justitiedorp Veenhuizen. Justitie kon haar personeel verplichten in het dorp te wonen. Andere mensen zijn dan niet langer welkom, waar oude verbodsborden nog naar verwijzen. In korte tijd wordt onder leiding van de architecten Johan Frederik Metzelaar (tot 1883) en later zijn zoon Willem Cornelis (1884-1914), een compleet dorp uit de grond gestampt. Door het gebruik van maar enkele bouwtypes ontstaat een grote eenheid, wat het dorp een unieke uitstraling geeft. Bijzonder is dat de woningen de hiërarchie binnen het ministerie weerspiegelen. De locatie van een woning, de vorm, de grootte en de tuinaanleg zijn alle indicaties van de sociale status en de rang die de bewoner binnen het ministerie heeft. Er komen stichtelijke teksten op de woningen voor hogere functionarissen die verwijzen naar de functie van de bewoners. Verspreid over de uitgestrekte gronden rond het dorp, verrijzen ook boerderijen en hoeves. Deze verpacht Justitie aan boeren, die verplicht zijn gedetineerden in dienst te nemen. Tot midden jaren tachtig van de 20e eeuw blijft Veenhuizen een gevangenisdorp waar niemand mag komen. Dan, onder invloed van bezuiniging en concentratie, gaat Justitie zich volledig richten op haar kerntaak. De opvang van gedetineerden in gevangenissen. Het ministerie trekt zich terug uit het sociale leven van Veenhuizen en het dorp wordt toegankelijk voor publiek. Het gevolg is dat veel gebouwen leeg komen te staan en het dorp in verval raakt. In 2002 werd met steun van Rijk, provincie en gemeente het Ontwikkelingsburo Veenhuizen opgericht. Doel is om ontwikkeling van Veenhuizen in goede banen te leiden en nieuwe bestemmingen voor leegstaande panden te zoeken die het dorp een vitale toekomst kan geven. Sindsdien zijn er veel grote renovatieprojecten geweest: het arbeidscluster, het gevangenismuseum, het hospitaalcomplex (hotel-restaurant Bitter & Zoet), Maallust, Kaaslust en meer recentelijk leprozenhuis ’t Heuveltje (Actief Veenhuizen) en onze boerderij ‘Essererf’. Van een verlaten ‘spookdorp’ heeft Veenhuizen zich ontwikkeld tot een toeristisch zeer interessant dorp. Er valt van alles te beleven. Ook de omgeving mag er zijn met zijn prachtige Drentse brinkdorpen en het natuurgebied Fochteloërveen. Een van de laatste grote hoogveengebieden van Nederland. Hier broeden sinds een aantal jaren weer kraanvogels.